Pinksteren 2020: Ik geloof… Maar wat eigenlijk?

‘Kun jij niet een nieuw credo schrijven?’, vragen een paar bewoners van het Jongerenklooster. Ze bedoelen een geloofsbelijdenislied. Ik snap de vraag en schrik ervan.
De liturgie van het middaggebed dat we net samen hebben gebeden, bevat altijd een credo, een geloofsbelijdenis. Een goede gewoonte: midden op de dag al je bezigheden stilzetten, en uitspreken waaróm je de doet wat je doet. Maar zelfs de oudste en kortste tekst, de Apostolische Geloofsbelijdenis, is met haar twaalf artikelen nog altijd best lang, zeker voor een getijdengebed van hooguit een half uur. Gezongen – we zingen graag – al helemaal. Tenzij je kiest voor het lied ‘klein credo’ van Joke Ribbers (Wij geloven een voor een), drie kleine coupletjes op een melodie van Bernard Smilde.
Dat laatste werd het dus, steeds vaker. En zoals de meeste liederen, blijkt het niet bestand tegen dagelijks gebruik. Vandaar de vraag: ‘Kun jij niet een nieuw credo schrijven?’

Maar dat is niet zomaar wat. Geloofsbelijdenissen zijn driedimensionale teksten. Ze hebben een dynamiek naar binnen, naar buiten en in de tijd. Naar binnen, omdat ze de kerk of de individuele belijder dwingen tot de kern te komen: wat geloof je nou eigenlijk? Naar buiten, omdat de kerk met een geloofsbelijdenis aan mensen van buiten laat zien waar haar hart klopt. En in de tijd. Een kerk bouw je niet met blokken geloofsgraniet. Een kerk bouw je met levende mensen, leerlingen die op zoek zijn naar, en onderweg zijn met, een Levende God.
In elke tijd springen andere geloofskernen naar voren, en soms moet de leerling-kerk ook vaststellen dat ze het geloof in het verleden op onderdelen niet helemaal goed op papier heeft gezet. Ook andersom trouwens: het is altijd de kerk van alle tijden en van alle plaatsen die belijdt. In haar belijden houden generaties van leerling-gelovigen elkaar bij de les.
Dat je soms met gemengde gevoelens terugkijkt op eerder belijden, geeft niks. Wie een credo schrijft, probeert een mysterie in te pakken. Een hachelijke onderneming, uit de aard der zaak. Zoiets als proberen wind te temmen, of liefde weer te geven in een getal met tienden achter de komma.
Dat laatste, gek genoeg, geeft hoop. A fools hope, nee: dichtershoop. Want als alle taalregisters falen, is er nog één over: poëzie. Een credo is de tekst bij uitstek waar de dichters de geloofsleer, de dogmatiek moeten terugveroveren op de theologen. Dus pak ik mijn klooster-opschrijfboek, leg ter inspiratie mijn kerkboek open bij de geloofsbelijdenis van Nicea (de meest dichterlijke van allemaal), pak mijn pen, en schrijf de eerste, meest voor de hand liggende zin.

En daar gaat het al mis. Ik schrijf: Ik geloof in God, en denk: nee. Dit gaat mis in alle drie dimensies tegelijk. Niet dat ik niet in God geloof (eerste dimensie), maar als belijdenis is het te mager. Ik hoor de vraag van niet-gelovigen (tweede dimensie): geloof jij in God? Ze bedoelen gewoonlijk: geloof je dat God bestaat? Als ik dus uitspreek ‘Ik geloof in God’, zeg ik voor hun oren niet veel meer dan dat ik geloof dat hij bestaat. En ik hoor de broer van de Heer zeggen: ‘Dat geloven de duivels ook, en ze sidderen.’ Hij bedoelt: nu nog in beweging komen, leven, zoals Hij leeft. Geloven dat God bestaat is te statisch (derde dimensie).
Ik zet een kruisje door het woord ‘in’. Dat dus niet. Maar wat dan? Na een hele tijd tobben voel ik me ineens precies zoals wanneer ik weer eens wanhopig naar de bril zoek, die op mijn neus staat. Het stáát er al. Ik geloof God.
Die formulering verandert alles. Want als ik van iemand zeg dat ik hem of haar geloof, belijd ik dat zij iets gezegd en/of gedaan heeft dat geloofwaardig is, dat mij overtuigt. Als ik zeg dat ik God geloof, zeg ik ineens niet meer alleen dat God bestaat, maar dat ik hem ervaar als iemand die handelt en spreekt, op een manier die voor mij overtuigend en geloofwaardig is.
Bijna op hetzelfde moment bedenk ik dat dit ook haaks staat op het Kuitert-cliché dat ‘elk spreken over boven beneden begint’. Wat is dat zinnetje eind vorige eeuw braaf door talloze gelovigen nagebazeld, onder dwang van een bepaalde wetenschapsopvatting, uit pure verlegenheid met de onbewijsbaarheid van God! Terwijl het alleen al argumentatief onzin is. Best geinig, ik geloof God als een onbekommerd antwoord op de vrijzinnigheid van de twintigste eeuw, die zo kon koketteren met haar eigen godsverlegenheid.
Maar daarmee zijn we er nog niet. Want christenen geloven niet elke god, niet om het even welke god. We geloven God zoals hij zich in de eerste plaats in zijn Zoon heeft laten kennen. En vervolgens ook in al zijn andere mensenkinderen. Daarvan is de weerslag te vinden is in zijn boek. We geloven de God van wie we op onze beste momenten de Geestkracht voelen in onszelf.
In de spiritualiteit van het Jongerenklooster krijgt de geloofsbelijdenis van Nicea (in de kern uit 325 na Christus) een ereplaats. De belijdenis van God als schepper heeft in het Jongerenklooster een bijzondere dynamiek. De ‘lofzegging’ waar onze kloosterregel-in-wording mee opent, bevat onder meer deze zinnen: ‘De belijdenis van God als Schepper is een tegenwoordige tijd. Hij is niet de God die ooit eens ergens iets geschapen heeft. Creëren is wat hij doet, het is zijn aard. Scheppen is zijn wezenskenmerk. Hij is de God die telkens weer nieuwe beginnen (mogelijk) maakt.’
Maar daaraan vooraf gaat in de belijdenissen altijd Gods vaderschap – Ik geloof in God de Vader… – en niet voor niks. Omdat God Vader wil zijn, ontspruiten de beginnen die hij scheppend maakt altijd aan zijn liefde.

Ik geloof de God die Vader is.
Schepper van elke keer weer een nieuw begin
in de wereld en in mij.

Die laatste zin floepte er zomaar uit. Maar hij voegt wel degelijk iets toe. In deze tijd, waarin we geneigd zijn ‘achter de voordeur’ te geloven, plaatst deze zin de Vader weer in het hart van zijn schepping. In een tijd waarin de hele wereld om jou persoonlijk schijnt te moeten draaien, draait deze formulering de volgorde om: de wéreld – en jij. Het is ook een activerende zin. Omdat ik de nieuwe beginnen ken die Vader God in mij gemaakt heeft, gooi ik de voordeur open en ga ik kijken of ik mee kan werken aan de nieuwe beginnen die hij in de wereld maken wil.

Dan Christus. Licht uit Licht, zingt Nicea. Dat móet erin!
In de Lofzang van het Jongerenklooster wordt hij beleden als hét nieuwe begin dat God maakt. ‘Hij ging, in een wereld die draaide om status, macht en winst, de weg van god. Hij genas mensen, naar lichaam en ziel, hij diende ons, waste onze voeten. Hij verdroeg onze traagheid, onze onwil, onze zelfzucht, ons gebrek aan vertrouwen en aan moed, onze uitsluitingsmechanismen en onze afrekencultuur. En ging er niet in mee. Hij durfde ánders te zijn, Mens van God.’
Jezus was Mens van God, op straffe van de afgrond, gaat de Lofzegging verder. In Jezus werd God tot op het bot deelgenoot van onze rottigheid, liet hij zien dat ons duister hem niet te zwart is, onze afgrond hem niet te diep. Maar: ‘Drie dagen nadat hem dat de kop kostte, ervoeren de ooggetuigen stamelend de scheppingskracht van God op zijn onwaarschijnlijkst. Ze beleden hakkelend wat ze meemaakten bij een lege tombe: een herschepping met macht over de dood, een opstaan dat zelfs de grens van het graf tart.’
Belijden is getuigen. En juist daar zit een probleem. Want wat getuig ik? Dat God bestaat? Dat kan ik niet bewijzen. Dat getuigenis houdt voor geen rechter stand. Maar dat ik hem geloof als ik zijn spreken hoor, daar kan ik voor staan.
Wat getuig ik, vandaag, op Pinksterzondag 2020? Dat Jezus opgestaan is uit de dood? Dat kan ik niet bewijzen. Dat getuigenis houdt voor geen rechter stand. Maar als ik het goed begrepen heb, is dat ook niet de kern van het getuigenis van de discipelen. Ze wisten zelf ook niet precies wat ze meemaakten op de Paasmorgen. Al snel sloop zelfs de twijfel er weer in. En ze claimden al helemaal niet dat ze begrépen hadden wat ze gezien hadden. De harde kern van hun getuigenis was dit: dat de manier waarop Jezus zijn leven leidde, gaf en terugclaimde op de dood, van beslissende betekenis was voor hun eigen leven. Het gaf hen de moed zélf op te staan uit de dood van hun bestaan, keuzes te maken, een nieuw leven. Een gered, geheiligd leven. Dát gingen ze rondbazuinen, geestdriftig, en met een Geestkracht die nog steeds verbazing en bewondering wekt. Ze durfden ánders te leven, de wereld te veranderen, omdat ze wisten dat wat voor hen gold, ook voor andere mensen waar kon worden. Het verhaal van de Levende kan élk mensenleven beslissend veranderen. Op een manier waarop niets of niemand anders dat kan.
Dát is mijn geloofwaardige getuigenis. Het verhaal van de Levende heeft mijn leven beslissend veranderd, op een manier waarop niets of niemand anders dat kan. Omdat geen god mij in mijn duister zó nabij durfde zijn.

Ik geloof de Zoon die Redder is.
Licht uit Licht, die zelfs het diepste duister kent
in de wereld en in mij.

Die toevallige laatste regel van het eerste couplet is al even terloops een refreinzin geworden. Ik laat hem staan. Hij doet het goed.
Over de Heilige Geest heeft Nicea ook een regel die per se in het lied moest. Daar kon het mooi op eindigen: ‘Die Heer is en het leven geeft / aan de wereld en aan mij.’ Maar het ging anders. Want de kern van wat de Geest doet is je steeds weer bepalen bij je vrijheid in Christus (Gal.5:24-25, 2Kor.3:3-18), en een gave van de Geest is (1Kor.12) genezing. Met bevrijding ben je dus terug bij Christus, met genezing (herschepping!) bij de Schepper-Vader. ‘Die van de Vader en de Zoon uitgaat ‘, zingt Nicea in de enige tekstwijziging die ze ooit heeft ondergaan. In 589 besloot het derde concilie van Toledo het woordje filioque toe te voegen, en de Zoon. Ik vond het mooi om dat recht te doen in deze tekst.
De Geest, belijd ik, is degene die je aanmoedigt om jezelf en anderen de fouten te vergeven ‘om Jezus wil’, en die je aanmoedigt om weer onbekommerd iets van de goede God te laten zien aan de mensen om je heen.

Ik geloof de Geest die levend maakt:
Kracht van God, die vrijheid en genezing brengt
in de wereld en in mij.

Bij het herlezen van de drie coupletten, valt iets op dat ik nog niet eerder gezien had: de geloofsbelijdenis is nu een drievoudig de profundis. Natuurlijk is een geloofsbelijdenis een lofzegging. Je belijdt natuurlijk de grootheid van God. Maar ook de noodzaak van steeds weer een nieuw begin, de diepte van het donker en de noodzaak tot bevrijding en genezing moeten erkend worden. In de wereld en in jezelf. Anders belijd je een geloof dat de afgrond verzwijgt.
Er is nog één probleem. Licht uit Licht, Kracht van God – ik voel aankomen dat de componist van dit lied in de problemen gaat komen met het ‘Schepper van’ uit de eerste regel. Een betere formulering komt er echter niet, dus stuur ik de tekst maar op. Twee weken later speelt Jan Willem van Holst zijn melodie voor, vlak voor alweer een middaggebed in de kloosterkerk. En ineens weet ik het: Scheppingskracht. Ik had dat woord al eerder overwogen, maar te vroeg. Ik gooide het overboord omdat ik het te onpersoonlijk vond, te dicht aankruipend tegen het modieuze ietsisme waarin mensen wel geloven in ‘iets als een energie ofzo…’ Maar nadat de openingszin God heeft geintroduceerd als degene die geloofwaardig spreekt en handelt, durf ik het wel aan. En zo staat daar, aan het eind van een heel proces vol angst en beven, wikken en wegen, toch ineens een credo, een lied ook nog. Met een melodie die klinkt alsof hij er altijd al was, en toch nooit is gaan vervelen. En neem ik het graag op de lippen:

Ik geloof de God die Vader is.
Scheppingskracht. Hij maakt steeds weer een nieuw begin
in de wereld en in mij.

Ik geloof de Zoon die Redder is.
Licht uit Licht. Die zelfs het diepste donker kent
in de wereld en in mij.

Ik geloof de Geest die levend maakt.
Kracht van God. Die vrijheid en genezing brengt
in de wereld en in mij.

PS. Nieuwsgierig naar de melodie? De bladmuziek en de ingezongen eerste en tweede stem vind je hier.