Vertrouwelijke omgang

Zaterdag hadden bestuurs- en teamleden van het Jongerenklooster een droom-dag: over de toekomst. Voorzitter Hans Bügel opende met een mooie overweging. En omdat hij die toch had opgeschreven, is hij eenvoudig te delen. Bij deze. Hans zei:

“Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God.“ Het zijn woorden van psalm 42 die ik associeer met het Jongerenklooster. Een eeuwenoude tekst van Korachieten die misschien wel iets universeels uitdrukken. De onrust die mensen waarschijnlijk allemaal in zich voelen, maar die vakkundig wordt weggedrukt door afleiding te zoeken in andere dingen. Wij leven in een tijd waarin het voortdurend zoeken naar afleiding is ingebakken in onze cultuur. Wij hoeven die onrust over God niet toe te laten; sterker nog wij zijn in staat om die onrust te negeren door onszelf een juk op te leggen van prestaties en er een pluk de dag mentaliteit op na te houden. Hard werken, veel presteren, verstrooiing zoeken op social media, in games of in genotmiddelen waardoor ons brein en gevoel even worden verdoofd.

Het is waarschijnlijk in meer of mindere mate voor ons herkenbaar. Een jachtig leven met veel verplichtingen; verplichtingen die anderen ons opleggen of wij onszelf opleggen. Daarmee bestaat het risico dat je jezelf verliest en er geen tijd en ruimte meer is om mens te zijn. Mens-zijn is toch iets van die vertrouwelijke omgang hebben met God; zoals God in het paradijs, in de koelte van de avond, wandelde, omgang had, met Adam en Eva. Dat is misschien wel het summum van verstilling en tot jezelf kunnen komen.

En voor veel jonge mensen van vandaag geldt dat ze zoekend zijn naar zichzelf, onder grote druk staan om aan alle verwachtingen te voldoen die anderen van hen hebben. Bovendien gaan ze vaak ook gebukt onder eigen verwachtingen. En juist voor hen kan het Jongerenklooster van betekenis zijn. Dat is gebleken in de afgelopen twee jaren. Jonge mensen een plek bieden om naar hun eigen innerlijk te luisteren, maar ook om die heilige onrust boven te laten komen; dat verlangen naar God.

Het is indrukwekkend wanneer we ons bedenken dat duizenden jaren geleden er mensen waren die nota bene diezelfde onrust voelden. Waar is God, wie is Hij en wie wil Hij voor mij zijn? Anno 2020 is dat niet veranderd. En dan te bedenken dat de mensen van toen nog minder zicht hadden op God. Zij kenden Jezus niet. Wij hebben God leren kennen door Jezus. In de statuten van het Jongerenklooster wordt verwezen naar de geloofsbelijdenis van Nicea als voorwaarde voor het bestaan van het Jongerenklooster. Over Jezus zegt deze belijdenis onder andere dat wij geloven ‘in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God;’

Dat is een uitdaging om jonge mensen de ruimte en de omgeving te bieden om die onrust aan te boren die in ieder mens zit; de zoektocht naar God. Als het Jongerenklooster een kleine bijdrage mag leveren aan die zoektocht dan is dat zeer de moeite waard. Al was het maar dat jongeren ontdekken dat het gezond is dat er diep van binnen altijd heimwee is naar God. Al was het maar een kleine bijdrage om jongeren iets te mogen laten ervaren van wat David schreef in psalm 25, ook alweer eeuwen geleden: ‘Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan.’ Dan komen jonge mensen tot hun recht en uiteindelijk tot rust waardoor zij hopelijk, samen met ons, kunnen zeggen en zingen: ‘Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.’